Het eerste ontwerp.
Na de première van zijn eerste oratorium,  Paulus, op 25 mei 1836, maakte Mendelssohn dadelijks plannen voor een nieuw oratorium. Gedurende de volgende maanden zocht hij naar een geschikt onderwerp. Zowel Petrus, Saul als Elias kwamen in aanmerking. In augustus stelde hij Klingemann, die aan de tekst van "Paulus" had meegeschreven, voor: "... als je nu eens, in plaats van zoveel te doen voor het oude oratorium, een nieuw schreef! ... een Elias, of Petrus of voor mijn part zelfs een koning Og van Basan." Toch zou het nog jaren duren voordat het werk voltooid was.

De première.
De première van de Elias vond plaats op 26 aug. 1846 in het kader van het Birmingham Music Festival. Het festival werd al vanaf 1768 om de drie jaar georganiseerd. De duur van het festival varieerde van drie tot vier dagen. Op het programma stonden telkens twee concerten met minstens één oratorium of een ander groot koorwerk. In 1837 had Mendelssohn er al zijn "Paulus" voorgesteld en in 1840 zijn Lobgesang. Naast de Elias stonden ook Haydns Schöpfung, Händels Messias en delen van Beethovens Missa Solemnis op het programma.

De omwerking.
Na zijn terugkeer naar Leipzig begon Mendelssohn aan een grondige herziening van zijn oratorium. Zo veranderde hij onder meer de volledige tekst van het slotkoor. Op aanraden van Schubring had hij de Elias met teksten uit het Nieuwe Testament laten eindigen. Maar hierdoor week de inhoud volgens Mendelssohn te veel af van de geest van het Oude Testament, zodat de componist besloot alle passages uit het Nieuwe Testament te schrappen, op de regel "Dann werden die Gerechten leuchten" na. De omwerking van de Elias nam vijf maanden in beslag. Op 16 april 1847 werd de Elias in Exeter Hall in Londen voor het eerst opgevoerd, in de versie waarin we het werk nu kennen.

Libretto – Oratorium Elias (1846).

Het libretto van dit oratorium bestaat uit bijbelteksten ontleend aan 1 Koningen 17, 18 en 19. Israël is op het dieptepunt van zijn geschiedenis. De koningen doen alles wat kwaad is in de ogen des Heren. Ze zoeken hun heil in het vergaren van goud en zilver en omringen zich met vele vrouwen. Hun hart is niet langer bij hun volk noch bij de God van hun volk. Zo trouwt ter wille van de economie Achab met de Fenicische prinses lzebel en dient voortaan de Baäl, de god van de hebzucht en van het bezit, de god die mensen over lijken doet gaan en die gesymboliseerd wordt door een gouden kalf. Koning Achab laat zelfs Jericho, de stad die model staat voor een goddeloze wereld, herbouwen. En dan verschijnt Elia: “de Heer is God” betekent zijn naam. Dat wil zeggen: de Baäl is God niet; een land dat de Baäl God laat zijn is aan vruchteloosheid onderworpen.  Hij kondigt droogte aan als straf voor de goddeloosheid.

De "Elias" zet in met een recitatief. In enkele scherpe trekken staat de verbolgen profeet voor ons: “Zowaar de Heer leeft, de God van Israël, in wiens dienst ik sta. Er zal deze jaren geen dauw of regen zijn, tenzij door mijn woord". Dat is het begin van het oratorium. De "Ouverture" is niet anders dan in de inleiding voor het eerste tafereel; in fugavorm worden de angsten en noden van het volk Israël weergegeven. "Hilf, Herr!" klaagt het koor. De oogst mislukte en de rivieren zijn uitgedroogd. Sion smeekt: "Herr, höre unser Gebet" (sopraanduet  en koor). Een der weinigen die godvruchtig was gebleven, Obadja, maant tot bekering. Hij getuigt over de genade van het geloof in de extatische aria: "So Ihr mich von ganzem Herzen suchet.” Het volk blijft echter in twijfel: "Aber der Herr sieht es nicht."

Een engel gebiedt Elia zich te verbergen aan de beek Krith, waar de raven hem zullen spijzen. “Denn er hat seinen Engeln befohlen über dir, dass sie dich behüten". (vokaal oktet)

Als ook de beek Krith verdroogt, beveelt de engel Elia zich op te maken naar Zarfeth. Aldaar zal een weduwvrouw hem verzorgen. Het meel van de kruik zal niet verteerd worden en de olie in de fles zal niet ontbreken.Nadat Elia bij de weduwe vele dagen toevlucht vond, sterft haar zoon. Opstandig verwijt zij de profeet, dat hij haar onheil bracht: ”Was hast du an mir getan?" Elia buigt zich over het gestorven kind en bidt: "Herr, mein Gott, vernimm mein Flehn!" Hij smeekt steeds dringender om het leven van de kleine en het wonder gaat in vervulling. Het dankduet van Elia en de weduwe wordt voortgezet door het koor "Wohl dem, der den Herrn fürchtet”.

Na drie jaren van droogte verschijnt Elia voor koning Achab; deze verwijt de profeet dat hij de ellende van Israël veroorzaakte. Elia stelt de koning voor uit te maken, wie God is: Jehova of Baäl. Op de berg Karmel bereiden Elia en de profeten van Baäl, een ieder voor zijn God, een brandoffer.

Eerst smeken de priesters van de afgod, dat deze vuur zal zenden om het offer te verteren. Steeds wilder wordt hun geroep: "Baäl, erhöre uns". Elia spot: roept luider, misschien slaapt hij en weer trachten de Baälpriesters hun God te vermurwen, doch vergeefs. Dan bidt Elia: "Herr Gott Abrahams, Isaaks und Israëls, lass heut kund werden, dass du Gott bist". Na het tierende koor treft deze edele bede des te meer. Een solokwartet vertolkt het vroom ontzag dat over de gelovigen is gekomen: "Wirf dein Anliegen auf den Herrn”. Elia roept God aan het brandoffer door vuur te verteren en het volk wordt getuige van het wonder: "Das Feuer fiel herab!".

De profeet beveelt de priesters van Baäl te doden en prijst daarna de macht van God: "Ist nicht des Herrn Wort wie ein Feuer?" De vrome Obadja verzoekt Elia te smeken om regen. De profeet gaat het volk voor in gebed, doch eerst na lange tijd kan een herhaalde malen uitgezonden knaapje berichten dat de hemel begint te bewolken. Het volk dankt God, dat het dorstige land gedrenkt werd.

Nog is geheel Israël niet door het wonder geraakt. Een gelovige vrouw wekt het volk op tot gehoorzaamheid: "Höre Israël, höre des Herrn Stimme!"  (Deze wondermooie sopraanaria schreef Mendelssohn voor de beroemde zangeres Jenny Lind). Dan belijdt het koor: "Fürchte dich nicht, spricht unser Gott, ich bin mit dir”. Weer treedt Elia voor koning Achab, die in zijn afgoderij volhardde. De profeet dreigt dat God Israël zal slaan om Achab’s zonde. De koningin ergert zich dat Elia macht wil hebben over een vorst en beveelt dat hij gedood wordt.

Het volk stemt daarmee in: "Wehe lhm!". Obadja waarschuwt Elia en raadt hem in de woestijn te gaan en de afvalligen aan hun lot over te laten. De profeet is strijdensmoe; hij smeekt God: "Es ist genug! So nimm nun Herr meine Seele", een ontroerende elegie omspeeld door een cellosolo. In een reciet wordt verhaald, dat Elia zich te slapen legt onder een jeneverboom en dat de engelen zich om hem legeren, zij zingen: "Hebe deine Augen auf zu den Bergen, von welchen dir Hülfe kommt" (a-cappella vrouwenterzet). Het koor vervolgt: "Siehe, der Hüter lsraëls schläft noch schlummert nicht".

Een engel wekt Elia en beveelt hem te gaan naar de berg Horeb. Elia klaagt, dat zijn prediking vergeefs was, waarop de engel hem troost: "Sei stille dem Herrn und warte auf lhn". En het koor der hemelingen verzekert: "Wer bis an das Ende beharrt, der wird selig". Op de berg Horeb verwacht Elia de verschijning van God. Het koor beschrijft de gebeurtenissen: een sterke wind teistert de bergen, en na de wind een aardbeving en na de aardbeving een vuur; doch eerst in het suizen van een zachte stilte verschijnt God (1 Kon. 19: 11-12). Zijn heiligheid wordt bezongen door de engelen (Jes. 6:3).

God beveelt Elia niet te twijfelen, want zevenduizend in Israël knielden niet voor Baäl. Het koor geeft het relaas van Elia’s prediking en hoe hij in een vurige wagen ten hemel voer. Obadja heeft een visioen van de hemelse zaligheid: "Dann werden die Gerechten leuchten". Niet vergeefs heeft Elia geprofeteerd en na hem zullen anderen over God getuigen: "Wohlan alle die ihr durstig seid, kommt her zum Wasser". De fuga "Herr unser Herrscher, wie herrlich Ist dein Name in allen Landen" besluit de magistrale kroniek.

Bronvermelding:  Toonkunst Oratoriumvereniging Amersfoort, www.tova.nl
Lexicon van de Klassieke Muziek ©1999 Data Becker GmbH en Co.