Ihr wandelt drobenim Licht
Aufweichem Boden, seligeGenien!
GlänzendeGötterlüfte
RührenEuchleicht,
Wie die Finger der Künstlerin
Heilige Saiten.

Schicksallos, wie der schlafende
Säugling, atmen die Himmlischen;
Keuschbewahrt
In bescheidnerKnospe
Blühetewig
Ihnen der Geist,
Und die seligenAugen
Blicken in stiller,
EwigerKlarheit.

Doch unsistgegeben
AufkeinerStättezuruhn;
Es schwinden, es fallen
Die leidendenMenschen
Blindlingsvoneiner
Stundezurandern,
Wie Wasser vonKlippe
ZuKlippegeworfen,
Jahrlang ins Ungewissehinab.

[Friedrich Hölderlin]

  Gij wandelt boven in het licht
Op zachte bodem, zalige Geesten!
Glanzende Godsluchten
Beroeren U licht,
Zoals de vingers van de kunstenares
Heilige snaren.

Onbekommerd, als de slapende
Zuigeling, ademen de hemelbewoners;
Kuis geborgen
In bescheiden knop
Bloeit eeuwig
Hun geest,
En hun zalige ogen
Beschouwen met verstilde,
Eeuwige helderheid.

Ons echter is het gegeven
Op geen enkele plaats te rusten;
Ze kwijnt, ze valt
De lijdende mensheid
Blindelings van het ene
Moment in het andere,
Als golven van klip
Tot klip geworpen,
Jarenlang in onzekerheid omlaag.

[Rein de Vries] / theo nijenhuis